Vreemde snoeshanen rond Molen de Valk
Geschiedenis van de Leidse homobeweging, een stuk van Marco van Woerden en Elise van Alphen
Waar vrouwelijke en mannelijke homoseksuelen in de vroegmoderne tijd elkaar enkel heimelijk in bosjes aan het Rapenburg konden ontmoeten vrezend voor verbanning of erger, voerde 2 juli 2009 de ‘peurbak’ van het COC Leiden met dansende en blinkende homo’s en lesbo’s prominent door de Leidse grachten. De geschiedenis van de Leidse homobeweging in vogelvlucht.
Halverwege het vorige millennium groeiden de nederzettingen van Holland uit tot grote dorpen. Amsterdam, Den Haag en Leiden groeiden uit tot zulke grote enclaves dat ze steden werden, waar Hollanders een leven vonden zonder de sociale controle van het boerenland. In de christelijke Nederlandse Republiek zag de regering zichzelf als moraalridder en u begrijpt, zeker in de steden moest paal en perk gesteld worden aan de oeverloze schendingen van de Bijbelse waarden. Hoereren, godslastering en sodomie werden strafbaar gesteld.
Sodomie was in de vroegmoderne tijd een beetje een containerbegrip voor alle vormen van seksuele handelingen die niet tot baby’s leiden. Eenmaal beschuldigd van sodomie of tribadie (tribadie werd specifiek gebruikt voor seks tussen vrouwen) werd je met fakkels en bolderkarren door het woedende volk voor de rechterlijke macht gesleept. Marteling was een beproefde methode om de waarheid te achterhalen. Liggend op de pijnbank met twee tangen bevestigd aan de tepels komt een mens immers tot diepere gronden en herinnert zich plotseling zijn immorele daad.
In de Gouden Eeuw (1600-1680) werden in textielstad Leiden 5000 mannen en 3 vrouwen van sodomie beschuldigd en gemarteld. Hoewel de rechtelijke macht in Den Haag hier directe zeggenschap over had, werd het vonnis gezien als een bestraffing van goddelijke hand. Een man moest zijn zaad niet verspillen. Zie hier, een mogelijke verklaring waarom er maar een beperkt aantal tribadie-rechtszaken uit de vroegmoderne tijd in Europa bekend is. Zo ook in Leiden. Helaas weten we hierdoor ook minder van de lesbische liefdesgeschiedenis in Leiden. Eén verhaal is het vermelden waard: De Leidse Maeijken Joosten wist haar geliefde Bertelmina voor haar te winnen door zichzelf als man voor te doen. Zelfs voor het altaar van het Leidse stadhuis in 1606 wist Bertelmina nog niet het ware geslacht van haar echtgenoot. Het eerste homohuwelijk in Leiden was helaas maar een kort leven beschoren: zeven maanden later werd Maeijken verbannen vanwege sodomie.
Ondanks de zware straffen op sodomie, ontstonden er steeds meer plekken in openbare ruimtes of in de open lucht waar ‘sodomieten’ elkaar konden ontmoeten. De bosjes aan het Leidse Rapenburg was een populaire cruiseplek. Net zoals in het Amsterdamse gemeentehuis of in de bijgebouwen van de Utrechtse Dom kwamen hier mannen om lekker snel aan elkaars pikken te viespeuken.
Groepsmasturbaties bij Molen de Valk
Het klokkenluiden van de koster van de Utrechtse dom in 1730 over mannen die tussen de resten van de kerk hun lusten op elkaar botvierden (zie hier de betekenis van de term Utrechtenaar), maakte hier einde aan. Er kwam een massale jacht op sodomieten, die vreemde snoeshanen die iets homoseksueels hadden gedaan, die tot 1731 duurde. Met de geringste verdenking op pijpen, anale penetratie of een verkeerd bedoeld schouderklopje kon je in de periode 1730-1731 verbannen of zelfs gewurgd en verbrand worden. De sodomietenvervolging had echter niet het gewenst effect. Sodomie of wat later homoseksualiteit ging heten, bleef bestaan. Iets meer uit het zicht, dat wel.
Tijdens de naweeën van de massavervolging hadden zich homoseksuele groepjes gevormd, communes, die samenleefden en bedden deelden. Zo ook in Leiden. De Leidse professor Andrew Baxter had Edinburg voor de seksuele vrijheid in Nederland verruild en deelde zijn huis aan de Rijnsburgerweg met zijn Schotse mannelijke studenten aan wie hij erotische brieven schreef. Hij leidde ook een Leidse studentikoze club waar achttiende-eeuwse homo’s hun verboden lusten konden najagen.
In 1811 was sodomie niet meer strafbaar in de polder. Niet zozeer omdat homoseksuele handelingen moreel geaccepteerd werden, maar aangezien de Code Pénal van Napoleon werd ingevoerd. Relaties tussen volwassenen werden niet meer als een staatszaak gezien. Het bleef echter geen goed idee om ruchtbaarheid te geven aan je homoseksuele gedragingen en gevoelens. Als men je van sodomie verdacht, dan waren je carrière en trouwkansen wel verkeken. Het was dan geen strafrechtelijke verbanning, maar verhuizen was dan wel aan te raden. Weer die louche hotelkamertjes in dus. Met name in de grote steden tierde homoseks welig voor het aanbreken der dageraad. Ook in Leiden, vooral rondom Molen de Valk en op het Rapenburg, bleven groepsmasturbaties en gangbangs niet uit. Toch wisten de (hetero) Leidenaren het nog zeker in de negentiende eeuw: Leiden had geen sodomieten of zoals men ze eind negentiende eeuw aanduidde: homoseksuelen.
Van Leids studentje naar eerste Nederlandse homoactivist
Nederlandse mannen en vrouwen met zondige seksuele gedachtes keken eind negentiende en begin twintigste eeuw met veel interesse naar Duitsland. In Berlijn was het een losgeslagen boel met zijn talloze achterafcafeetjes voor homo’s. Medici konden naar hartelust nadenken over de oorzaken van sodomie. Queer scientists als Richard von Krafft-Ebing (1840-1902) en Magnus Hirschfeld (1868-1935) leefden in Berlijn in relatieve vrijheid en richtten het Duitse Wissenschaftlich-Humanitäre Komitee op.
In 1912 kwam er een Nederlandse pendant, de Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee (NWHK), waarmee de Nederlandse homobeweging aanving.
Oprichter hiervan was Jonkheer Jacob Anton Schorer. Hij werd dé sleutelfiguur van de vooroorlogse Nederlandse homobeweging. Afkomstig uit een hoogstaande Zeeuwse familie, was Schorer zich al vroeg bewust van zijn ‘onzedelijke neigingen’ en was hij een groot bewonderaar van Magnus Hirschfeld en zijn homojaarboek Jahrbuch für sexuelle Zwischenstufen. Waarschijnlijk had hij tijdens zijn studie en promotietijd aan de Leidse rechtenfaculteit wel eens wat ‘verkeerde’ kroegen bezocht. Sodomie beschuldigingen in 1903 zorgden voor een vroegtijdig afscheid van Schorers glansrijke carrière als kantonrechter. Hij vluchtte naar Berlijn waar hij Hirschfeld ontmoette, waar hij het voornemen nam om bij terugkomst naar Duits voorbeeld het NWHK op te richten om zo de grote clash tussen hetero’s en homo’s op te lossen.
Ook was de oprichting van het NWHK een reactie op een wetsartikel dat minister van Justitie Regout verzon in 1911, dat een zwarte bladzijde in de homogeschiedenis inluidde, het notoire artikel 248bis. Ondanks Schorers politieke lobby werd seks tussen gelijke geslachten strafbaar indien een van de seksuele partners jonger was dan 21 jaar. Bij hetero’s lag de grens op zestien jaar. Het hoge besmettingsgevaar van homoseksuele gevoelens, was het argument hiervoor. Vanuit zijn residentie in Den Haag bleef Schorer zijn hele leven bezwaren tegen deze wet aantekenen. Hiernaast schreef hij open brieven, verspreidde hij folders onder studenten over het Uranisme (een nieuw begrip voor homoseksualiteit wat in zwang was geraakt) en verzamelde hij homo-erotiserende literatuur die moest aantonen dat het homo-zijn niets speciaals was. Grote schrijvers als Louis Couperus en Jacob Israël de Haan schreven boeken over morele ‘wansmaak’ en het stiekem geilen op jongere ondergeschikten. Seks was toen, net als nu, vaak ook gewoon commercie. Zo werd Schorer, ooit een Leids studentje, Nederlands eerste homoactivist.
Het onnoembare
In de crisisjaren was het droevig gesteld met de homobeweging. Een docent van een openbare school in Leiden werd ontslagen alleen al op verdenking van het ‘onnoembare’. Bovendien namen de pakkansen op basis van artikel 248bis toe voor homo’s, schandknapen en hetero’s die eens uit een ander vaatje wilden tappen. Ook werd castratie voorgesteld als therapie en vanaf 1938 toegepast. De schandalen die in de jaren twintig en dertig afspeelden en de aandacht van de confessionelen voor de homoseksuele zonde, zorgden ervoor dat het bestaan van homoseksualiteit zichtbaarder voor de Nederlandse bevolking werd. Homoseksualiteit werd daardoor paradoxaal en schoorvoetend steeds meer bespreekbaar. De duizenden brochures die Schorer over het uranisme in zijn leven had verspreid, zullen hier mogelijk ook aan mee hebben geholpen. Met het eigenhandig verbranden van zijn adressenbestand na de inval van de Duitsers, bracht Schorer zelf de eerste Nederlandse homo-organisatie ten einde.
Stokje overgeven
Na de bevrijding werd Jonkheer Schorer benaderd door Niek Engelschman vanwege plannen om een homo-organisatie op te richten, maar Schorer hield zich vanwege de frivoliteit van de nieuwe organisatie er in eerste instantie afzijdig van. Niek Engelschman en anderen gingen door met hun plannen en in 1946 hadden ze de Shakespeare Club opgericht. Al snel werd de naam van deze nieuwe club in het Cultureel Ontspannings Centrum (COC) veranderd. In 1957 stierf de eerste voorvechter voor de homo-emancipatie. Het COC dankte veel aan hem.
De bekende binnenhuisarchitect Benno Premsela nam in 1964 het stokje van Engelschman over en werd voorzitter van de ‘Nederlandse Vereniging van Homofielen het COC’. Het COC had een duidelijk doel: afschaffing van 248bis, zodat het COC ook jongeren onder de 21 kon verwelkomen. Hoewel veertig procent van de ondervraagden in 1966 niet eens wist wat homoseksualiteit was, bleek na uitleg, dat het volk homoseksualiteit massaal afkeurde. Stapje voor stapje werd homoseksualiteit bekender en ook meer geaccepteerd in de jaren zestig. De massamedia deed zijn intrede, en culturele ontwikkelingen, homo’s in theater, cabaret en tv hielpen hier ook een handje aan mee. Zelf verscheen ontwerper Benno Premsela in 1964 op landelijke televisie.
Heus, een Leids COC
Voor jongeren was Leiden maar een saaie, dode boel begin jaren zestig. In het Volkshuis kon men onder toezicht ‘rock en rollen’, maar nozems –‘verwilderde jongeren’– werden geweerd. In de stad rook men een penetrante spruitjeslucht. De hasjrokende protestgeneratie die langzaam ontstond was niet vies van een politierelletje of een ondergrondse LSD-trip. Er gebeurde iets, heilige huisjes werden geschonden. Er werd een ‘Leids Vrijetijdscentrum’ (LVC) opgericht voor jongeren en Ben Walenkamp bestierde een maatschappijkritische boekhandel en ‘koffieshop’. Redacteur Henk Vink plaatste in het universitaire ‘LUB’ de ludieke opmerking ‘ Doe het ook eens met je hoogleraar!’, waarna de redactie aftrad. Hoewel de beweging zich maar moeizaam organiseerde, ontvouwde de seksuele revolutie zich ook in de hoofdstad van de Bollenstreek.
Er werd ook openlijk met homoseks geëxperimenteerd. Cruisen kon in het Leidse Hout, het Plantsoen en rondom de molen. In De Veronicabar gaven dronken studenten en werkende jongeren zich welwillend over aan hun geaardheden. Ook in café Van Melsen aan de Nieuwe Beestenmarkt en de Wimpey Bar aan de Hogewoerd draaide men soms nichtenmuziek. Een lesbobar had Leiden niet. Eind jaren ’60 werd de Leidse Studenten Werkgroep Homoseksualiteit (LSWH, 1968) opgericht door vier studenten Nederlands met als doel Leiden gay friendly te maken door succesvolle integratiefeesten en het uitbrengen van pamfletten. Hun leus was ‘Integratie door konfrontatie’.
Toen de homofeesttent MIKS (1970) er kwam, kon niemand de Leidse homobeweging meer stoppen. De ‘Leidse Werkgroep Homoseksualiteit’ (LWH) werd vanuit MIKS opgericht door de mannelijke en vrouwelijk homo’s in 1974 en vestigde zich in een theehuis aan de Nieuwe Rijn 20a. De potten splitsten zich in de lente van 1976 af onder de naam LVL, de ‘Lesbische Vrouwen Leiden’. Na een relletje met de pisbakken aan de Tweede Binnenvestgracht en de viering van Roze Zaterdag op 25 juni 1983 was het ook voor de gewone Leidenaren duidelijk geworden: Leiden was niet slechts heteroseksueel.
Het LVL en LWH vormden in 1985 samen de COC-afdeling van Leiden en settelde in in de voormalige jeneverstokerij. Homo-Leiden kreeg zo een definitief gezicht. Nu, na 41 jaar Leidse homobeweging, is er een projectgroep van het COC Leiden bezig om ons Leidse homoverleden in kaart te brengen. Zodat ook de homo’s hun plek krijgen in de geschiedenis van de mooiste stad van Nederland.
Geplaatst onder: Futiliteiten op 10 July 2009
Laat een reactie achter