Schooltoneel

Ik wil niet teder schrijven, maar niemand houdt me tegen en de letters verspringen met tabjes, shiftjes en toetsjes over mijn scherm. Ze zouden mijn verbeelding moeten weergeven en dat doen ze wel, en toch vertellen ze me iets dat ik niet weet. Iets nieuws, onttrokken aan het zicht van de maker. Letters met eigen bedoelingen.

Ik verspring ook met stramme maandagochtendbenen, een nachtje heb ik gestudeerd. Waar was de tijd? Op een nachtelijk uur laten liggen. En zoals u weet komt dat uur niet meer terug. We hadden kunnen slapen, kunnen knuffelen wellicht. In plaats daarvan dus lettertjes.

Ik heb spijt geen ervan, het zijn die nachten waarop ik leef. Een belangeloos gevoel van trots en altruïsme maakt het dagelijkse leven overvloedig en onnodig. Tot ik wakker word in het vroege gloren. Kent u dat gevoel?

Bij de uitvoering van Hamlet door het Adelbert College Toneel raakte ik innerlijk geroerd, vervoerd, door de emoties op het toneel. Mijn broertje heeft de hoofdrol en als trots familielid zat ik op de eerste rij. Zó goed vond ik het, en zó geloofwaardig, dat ik mij van de weeromstuit afvroeg of wij ook ooit door hetzelfde Shakespeareaanse lot getroffen zullen worden. Ik moest erover schrijven. Doe er uw voordeel mee of zwijg.

Leidse Annie

In mijn volgende column zal ik u vertellen dat het profetisch eind der tijden nabij is. In deze column een heel andere kwestie. Bloemen, bloemen, bloemen.

Proefstation Leiden is het pronkstuk van de Nederlandse Spoorwegen. Ik sta bij de ingang in de zon. Studenten, forenzen en dagjesmensen gaan zigzaggend in elkaar op: ze drommen samen in de machtige vestibule. Rondom de bloemenstalletjes en op de perronnetjes. Het is weer lente, de stad zwermt eropuit. Naar duinbungalows en duivenshows.

Na een paar minuten hoor ik achter mij het eerst nog doffe, maar steeds scherpere geluid van Leidse Annie. De dakloze met de dreadlocks. Jarenlang alcoholist geweest en altijd blut. Steevast hunkert ze naar geld om haar slaapplaats te kunnen bekostigen. Zouden slaapplaatsen voor daklozen werkelijk geld kosten? Ik weet het niet. Terwijl ik aanstalten maak om haar mijn kleingeld te geven wint ze mijn sympathie door mij een inkijkje te geven in haar denken. “Vroeger was ik aantrekkelijk en gewild, nu ben ik rijk,” grapt ze. “Ik verslond ze bij bosjes!” Bosjes bloemen, stel ik tevreden vast.

Ik observeer de verschillende soorten passanten. Verliefden, pechvogels, cynisten, juristen. Verderop gaat een groepje wereldverbeteraars. Een parmantige dame aan de NS-balie, Leidse Annie die zich verlekkert bij de snackmuur. Achter alle gezichten schuilt een verhaal waar de mensen van “Man bijt hond” avondvullende televisie van zouden willen maken. “Voor wie zijn die bloemen?” Ik hoor het de journalist al vragen aan een wat zenuwachtige meneer die al snel te kennen geeft dat hij verliefd is. Joekels van gelukstranen volgen en een stichtelijk cliché wordt bevestigd. Het zijn rode klaproosjes. Kleur mag weer dit jaar.

Een lichte paniekgolf slaat toe als de trein naar Utrecht vertrekt. Een bonte stoet mensen stuift de trap op waar nu Leidse Annie voor haar goede doelen staat te collecteren. Verbolgen kijkt ze de druktemakers na. “Voor wie doe ik dit eigenlijk nog!” schreeuwt ze ziedend van woede. Annie krijgt niet de aandacht die ze verdient. Maar dan slaat haar stemming weer om, want er moet geld verdiend worden. Ik bewonder haar zakeninstinct.

Hoewel een dikke aswolk Europa in een verlamde houtgreep houdt zou u zeggen dat er geen vuiltje aan de lucht is. Dan volgt een omroepbericht aan alle reizigers. Er is een speciale Keukenhofactie vandaag, kaartjes verkrijgbaar bij de boekhandel. Waarom ook niet? Ik bedenk me geen moment en koop een kaartje. Niet voor mezelf, maar voor Leidse Annie.

Ik zet haar op de bus. Even zal ze zich wanen in een andere wereld. Zal ze het begrijpen? Eenmaal in de rijdende bus zie ik haar nog rondgaan voor een collecte, voordat ze uit ‘t zicht verdwijnt. Ze zwaait niet, ze is me vergeten. Maar ze redt zich wel in die nieuwe, andere wereld in Lisse.

In mijn volgende column zal ik vertellen waarom u niet bent zoals Leidse Annie. Dan neem ik u mee in de wereld van de elementaire deeltjes. Misschien de film “Angels & Demons” gezien? Over de oerknal nabootsen en zwarte gaten maken? U heeft ervoor gekozen het vrolijk naast u neer te leggen. Zal wel loslopen, dacht u.

Ik verklap alvast dat er heel wat is verbloemd.

Schoonmaakster

Haar Pools was vloeiend,
bijtend haar middelen
op haar nagels en over de vloer,
roetsj!
Ze was dan ook Pools.

Weer

Vandaag koester ik een passief verlangen naar een vergezicht van mensen die lopen door een drukke stad. Allemaal met hun eigen doelen wandelen ze daar, de een uitgeput van de warmte, de ander springlevend door de eindelijk ontluikende bijzon die de lente inluidt. Maar wat zij ook denken of voelen en waar ze ook heengaan door het talmende rumoer van de stad, een ding staat vast. ’t Weer treft ons allemaal, dus laten we het niet ontlopen vandaag.

25 graden achter glas.

Over dingen die beklijven

Er moet onderzoek gedaan worden, we hebben informatie nodig. Noem het kennis. We willen allemaal dat het internet groeit en dat de encyclopedieën iets hebben te schrijven. Daarom ben ik, in essentie, natuurkunde gaan doen.

Het is het klassieke verhaal. Mijn vader had vroeger een elektriciteitsset waar ik op mijn zolderkamer mee experimenteerde. Het was vroeger nog van hem geweest, zei hij dan. Vaak sta ik er bij stil dat die zolderkamermomenten toevalstreffers waren. Zou ik door mijn vader zijn geworden wie ik ben?

Nu sturen ze me naar CERN, om onderzoek te doen zeggen ze. Ik weet het niet. Ergens koester ik het nergens op gestoelde vertrouwen dat het wederom een handreiking van mijn vader is. Noem het een nalatenschap. Natuurlijk, ik zal het onderzoek verrichten naar mijn beste kunnen. En de informatie zal wegvloeien in de maatschappij. En ergens in de verte schrijft iemand het op, de geschiedenis. Maar is alles echt op eigen kracht?

Mijn professor zegt van wel, ach. Ik zal er nooit meer achter komen, ik kan het mijn vader niet vragen. En juist dat, mijn lieve lezers, is ironisch genoeg de nalatenschap, de zo geprezen erfenis van ons weten.

Dat er zomaar dingen zijn die beklijven.

Prijsvraag

Mocht hij even stilte in de zaal? Het publiek was blijven zitten tot de nacht inviel. Men fluisterde, vroeg zich af of de toegift ooit nog ophield. De dirigent draaide zich weer om en hief zijn baton, het orkest wachtte gespannen. Ze konden alleen stoppen als het mocht. Maar ze mochten niet, omdat het stuk eerst volledig moest worden uitgevoerd. Waarom was het nog steeds niet stil in de zaal?

Rumoerigheid, sommigen voelden zich beklemd en moesten naar het toilet, anderen luisterden aandachtig, er waren er ook bij die sliepen. Speciaal voor hen kwam de koffiedame langs, maar zelfs dat baatte niet. Plotseling stopte de dirigent weer, hoewel het stil was, en het orkest verzuchtte en begon en masse te verzitten. Hij had een lelijke werkwoordsvervoeging ontdekt.

Weet u welke? Stuur het antwoord door en maak kans op geweldige prijzen.

Snoepoom Voltaire

Bij mijn stiefoom in de straat woont een man die verdacht veel op Voltaire lijkt. U weet wel, die grote Franse denker uit de achttiende eeuw die naast filosoferen en joden uitschelden een kinderboek schreef. Een vertederend verhaal over het vrolijke joch Candide. Weet u zeker dat u dit wilt lezen?

Candide is altijd optimistisch. Onze wereld is nu eenmaal de best denkbare wereld, aldus Candide, die daarmee een heel andere levensvisie had dan zijn geestelijke vader Voltaire. Deze grote denker maakte veel furore door alles te zeggen wat het volk alleen maar durfde te denken. Alle joden moesten zijn land uit.

Ik kocht het boek. Toevallig precies in de Boekenweek, waardoor een jarenlang gekoesterd schuldgevoel dat ik eigenlijk nooit iets aan Boekenweken deed in één donderslag teloorging. Het was maandag. Trots fietste ik met mijn aanwinst door de stad en glimlachte daarbij breedvoerig. Waarom lachten de mensen niet terug? Ik had nog geen benul van de inhoud van het boek dat ik zojuist had aangeschaft. Er stond een plaatje van de buurman van mijn stiefoom op de kaft.

Al bij de eerste woorden begonnen mijn twijfels. Ik had mijn fiets geparkeerd om de hoek bij Artis en lag ruggelings in een plantsoen te lezen. Het voelde aan als lente, plotseling stralend strak met schapenwolkjes. En Candides naïeve metafysica die alles in een positief kader plaatste sloot hier naadloos bij aan. Zo’n moment van alarmloos geluk, weet u wel. Ik vertrouwde het niet, maar besloot door te lezen.

Even verdween mijn aandacht voor de wereld die om mij heen in brand stond, vol politieke aardverschuivingen, de wietlucht, de burgemeesterloze stad. Nee, Candide slokte me op met zijn woordjes. Hij werd verbannen, ontvoerd, bijna verkracht, maar bleef erbij dat de wereld zo prachtig was. De wanstaltigheid! Voltaire had die arme, kinderlijke Candide geen realiteitszin gegeven en daar wond ik me over op. Toen ik even later verder wilde lezen begon helaas mijn hippopotomonstrosesquippedalio-fobie op te spelen. Mijn angst voor lange woorden. Nee, ik kon niet verder lezen, maar ik had ook meer dan genoeg gehad.

Vandaar deze brandbrief aan u. Iedere keer als ik nu de buurman van mijn stiefoom in de supermarkt tegenkom, gaat er een koude rilling door mij heen en begin ik omstandig te glunderen om mijn angst voor hem te verbergen. Weet u zeker dat u nu nog Candide wilt lezen? Ach lieve mensen, kijkt u dan toch uit voor het achttiende eeuwse populisme.

C’est ça.

Marco van Woerden

Heeft de schoonmaker geen boodschap aan

1.
Een vliegje vond ‘t handig
Rusten op de rand van de bril.
Geklater dat omstandig
Afrekende met dit tafereel.
2.
Had de man dan niet geweten
Zou hij ’t niet hebben gezien
Splet! Daar ging een leven.
Was hij dronken bovendien?
3.
Een stilleven, nu bewogen,
De gang van het toilet verstoord,
Waartoe niet zo klein, zo onvertogen
’t Eendagsvlieggenlot behoort!

Het integratiedebat

Hij bleek humor te hebben
de Mohammedaan
want in zijn hilarische gebbe
had Allah rode klompjes aan.

Zuchten en lusten

Op een doodgewone dag op CERN
kwamen de geleerden tot de kern,
juist toen achter hen groot en rond
een hongerig zwart gat ontstond.

Autoritje

’t Weekend is ten einde, ik klets met een vriendin terwijl ze me zondagavond naar huis brengt met de auto. Het is pasklaar dat ze daarmee mijn leven redt, aangezien buiten het klamme gespetter steeds heviger en intenser vanuit de duisternis klinkt. Is het vrijheid of beklemming, zouden wij niet moeten genieten van hier en daar een kleurrijke donderslag aan een vergrijsde hemel? Misschien is het goed om eens in mijn bestaan naakt de plenzende pleuris van de natuur te omarmen. Niet hier nochtans. Niet nu.

Een vreemd weekend mag ik het wel noemen. De eerste verjaardag zonder mijn vader, de verhuizing, en het afscheid van een collega. Ik heb altijd getracht om mijn teksten hier onpersoonlijk te houden door hun boodschappen te verdoezelen. Bovendien wil ik hier geen dagboek van maken. Toch doe ik het even, misschien om mijn verwondering en bevreemding niet te vergeten. Dit moet in het collectief geheugen. Is dat niet het enige bestaansrecht dat een schrijver heeft?

Ik weet het niet, het is zomaar een gedachte. Buiten slaat de wind tegen de wolken van regen in een titanenstrijd die nooit gewonnen zal worden. Wederom constateer ik het, ik houd me maar aan de feiten. ’t Weekend is voorbij.

Geen ode zonder

Een wittig, vlak object dat zeer flexibel, maar breekbaar is. Gemaakt van samengeperste houtvezels en gewiegdroogd, geperst, gevormd naar een maat die voor alle toepassingen bruikbaar is. Misschien is dit wel de enige beslissing die de mensheid ooit unaniem genomen heeft. De maat van papier.

Papier, naast het schoolbord, is goed voor kennisoverdracht. Abstract, vindt u niet. Hoewel deze constructie door iedereen wordt begrepen en zeker door velen wordt toegepast, is het mijn stellige overtuiging dat de diepste kennisoverdracht elitair is. Mede mogelijk gemaakt door papier.

Ik zou niets weten, ik zou officieel niet geboren zijn, zonder papier, want alles moet vastgelegd, geregistreerd en ingeschreven. In duizenden documenten sta ik mogelijk al, in archieven in instituties die nooit iemand meer opent. Wat zou een wereld zonder documenten zijn? Een academische vraag, wederom die elite.

Ironisch, voor me ligt een stapel enveloppen waar ik nog naar kijken moet. Verder nog wat aantekeningen van de colleges van gisterenmiddag. Mijn papieren werkelijkheid er één van getallen en berekening en is heerlijk begrensd. Wit. Wiskundig. Formaat A4.

Het vliegveld

We hebben breedvoerig voorzien in de behoefte aan eenduidigheid en massaliteit. Op het vliegveld kun je niet verdwalen. In de krant springt altijd één kop direct in het oog. U kunt een applaus starten door uw handen op elkaar te slaan en de reactie van het publiek af te wachten. En toch, ik ben verdwaald.

In het Engels hebben ze daar een prachtige term voor die ik niet durf te vertalen uit angst de lading te verliezen. Crowd control. Wist u dat er mensen studies hebben gemaakt van de afzetlinten van de politie? Door de kleuren vallen ze op en hun werking gaat uit van het principe van de minste weerstand. Waarom door het lint gaan, als het alternatief is dat je er gewoon omheen kunt? Het is zo simpel.

We moeten opmerken dat zelfs de mensen die hier studies naar gedaan hebben, zelf ook gevangen zitten in het systeem. Hun enige voordeel is dat ze weten hoe het werkt. Twee beveiligingsbeambtes kunnen echt niets beginnen tegen een roedel opgezweepte lieden die woedend en angstig niet meer voor rede of ratio vatbaar zijn. Dat heet overmacht. Nu komt dit zelden voor, het volk is te lief. En de arm der wet is lang.

Bewust opzwepen is daarentegen zeer goed mogelijk. Muziek en een juiste verlichting kunnen de hoofden op hol brengen en op commando applaus teweegbrengen, terwijl men het gevoel houdt zijn keuzes op vrije wil te baseren. Soms twijfel ik aan die wil. Kan iemand bij mij een keuze induceren?

God, natuurlijk zijn mijn beslissingen de mijne. Ik zwalk over de smetteloze gangen van deze technologische plek, waar de mens zijn macht over de zwaartekracht bezigt. Ieder bankje, ieder bordje, van dezelfde gestandaardiseerde makelij. Niets mis mee, het werkt. Niemand stoort zich er aan. Bovendien kan een standaard toch op zichzelf een creatieve uiting zijn?

Maar alleen als ik verdwaald ben, weet ik weer waar mijn eigen beslissingen toe leiden. Dwaalsporen. Ja, uren dwaal ik rond langs herkenbare standaarden. Star Bucks, eettenten. Ik ken ze allemaal. Een agent spreekt me aan, nadat ik hem enkele malen doelloos heb gepasseerd. Ik bied mijn excuses aan, ontken mijn verwarring. Als hij maar niet denkt dat ik de weg niet ken. Mijn wanhoop neemt toe.

Doelloos zwerven, totdat ik mijn redding tref. Een rij! Ik twijfel geen moment en sluit me aan. Nu val ik niet meer op. Nu hoor ik er weer bij.

Chaos

Chaos. Dat is het woord waar mijn hart deze maand voor overslaat. Februari is een verzameling dagen die soms plotseling de regelmaat doorbreekt. Dat het er dit jaar 28 zijn, moet toeval zijn.

We kunnen ons afvragen of een toevallige wereld ook een chaotische is. Het verschil zit ‘m erin dat ik chaos herken als ik het zie, maar over de aanwezigheid van toeval slechts kan gokken. Zo reduceer ik alles tot kansverdelingen. Moet ik niet doen.

Het is februari, de laatste echte wintermaand. Nog even volhouden mensen. De kans is vrij groot dat volgende maand lente wordt.

Eerste weblog

Waarom overkomt het me dat ik op een onmogelijk tijdstip, ultimatums verstrijken en de lokroep van mijn studie klinkt luider dan ooit, dat ik nu, een weblog begin. Naast mij staat een grote pot snoep die gestaag ronkend zijn bodem bereikt. Terwijl mijn handen graaien moeten ze ook nog typen. Het is een onmogelijkheid.

En het is zonde, want het suikergoed verhevigt mijn taalkoorts waarvan ik naar schatting nog jaren naijl. In uitbarstingen van heethoofdigheid kom ik telkens weer tot dezelfde verklevende conclusie. Het moet er weer uit. Straks, wanneer u dit tekstje uit hebt, steek ik een boute vinger of twee tot ver achterin de keelholte. Dan gesel ik mijn tong wraaklustig en zoet. Ik wil niet meer dom vreten. Toch weet ik dat er voor mij, de grootste suikermaniak van het universum, geen weg terug meer is. Er is altijd die aandrang naar dat onbereikbare snoepje dat mij – hoe blind ben ik geworden voor de verlokkingen van het moment! – bij nadere beschouwing en consumptie eigenlijk helemaal niet behaagt.

Zo ook is het met mijn schrijfwerk. Hoewel ik er minimalistisch mee omspring als de meetgraad het woordental betreft, daar laat ik me er rijkelijk door omringen. Meer dan dat pleeg ik niet te zeggen, tegeltjeswijsheden. Om mij te forceren de daad van het schrijven daadwerkelijk uit te voeren, klim ik over intellectuele heuvels en klauter ik wat rond in de gedachtes die mij als een speelbal passeren op onmogelijke tijdstippen.

Vlug pak ik een pen. Ik weet dat het zonde is en dat ik er later voor zal boeten. Maar ik poog in mijn leven tenminste één zielekreet te produceren die als een groteske oase zal beklijven. Daarom overkomt het me nu dat ik schrijf.

Voorjaarsschoonmaak

Het is nog beter dan drugs.

U zult me voor gek verklaren, maar ik heb het dit weekend tenminste al lekker gedaan. De voorjaarsschoonmaak. Heerlijk was het. Me tussen sop en zeepbellen te goed doen aan het palet aan kleuren en geuren van de hedendaagse schoonmaakmiddelenindustrie. Ordinair schrobben en boenen, daar word je groot en sterk van.

Zo, zo. Deze opvatting is niet voor de poes!

In mijn pogingen om een normaal mens te worden, heb ik al veel over mezelf geleerd. Het begon er al mee dat ik jaren heb gedaan over een zwemdiploma. En later bleek ik ook van breien te houden. Ik ben natuurkunde gaan studeren, een echte bikkelstudie voor alfamannetjes die zich likkebaardend opwarmen voor deeltjesversnellers en andere gevaarlijke, mysterieuze experimenten. Altijd diep onder de grond, altijd groot. “Boys with toys”. Ook dat vind ik leuk. Ben ik een nerd?

Ik heb me jarenlang afgevraagd wat er mis met me is, maar ik heb iets bedacht. Ik laat dat oordeel nu aan u over via deze site. Nee, ik ga u geen tips geven over schoonmaken. Ik schrijf niet over voetbal of politiek. U zult het met mij moeten doen.

Ik sta op een gammel laddertje de ramen te lappen. Natuurlijk, het is koud, de mussen sneeuwen bij vlagen van het dak. Ik kan de winter niet ontkennen. Terwijl ik een emmertje dweilwater tussen de planten giet biggelen de ijspegels als klinkklare klontjes aan de onderkant. Pats! Een allesreinigende substantie versplintert in duizend stukjes tussen mijn vorstvaste hortensia’s.

Er zijn welgeteld nul levensvormen die op schoonmaakmiddel leven. Die hortensia’s zullen het voorjaar niet halen. U ook een glaasje?

Ik heb namelijk al genoeg gehad.

C’est ça!

Waarom… zijn elektronorbitalen krom

Volgende week gaan de experimenten van Genève aan. Dat betekent dat daar, honderd meter onder de grond in een oude cirkelvormige tunnelschacht, waterstofkernen met enorme snelheden op elkaar worden afgevuurd. Met alle gevolgen vandien.

Nee, de kans dat de wereld vergaat is niet zo groot. Er zullen heus vreemde dingen gebeuren, waarover de experimentalisten zich het hoofd zullen breken door deze met grote snelheden op de muren te laten botsen. Maar niets ernstigs. ‘t Universum zal zijn geheimen moeten prijsgeven tot op een dieper niveau. De fundamenten van deze kennis liggen in Zwitserland, diep verborgen onder de grond.

Soms vind ik het moeilijk om dit onderzoek te koppelen aan een groter geheel. Ik sla een boek open en aanschouw de deeltjes en mechanismen waarvan wij het bestaan doorgronden. Dan bevind ik mij in gedachten in de baan van het elektron om de moederkern. Ik roetsj langs mijn broertjes en krijs het uit van de pret. Maar ik begrijp niet waarom ik het doe. Niet wetend waar ik ben tast ik rond in de duisternis met de snelheid van het licht.

CERN

Vandaag ging de wekker vroeg. Gedesillusioneerd kwam ik uit bed en verkleedde mij, zodat ik de kleding droeg waarmee ik een kwartier later wachtte op de bus die mij naar Leiden bracht. Een uur na een ontwaken meldde ik mij bij de stewardess achter het loket van easyJet.

Als ik zo de feiten presenteer, droog en verlaten van poëzie, begrijp ik weer waarom ik vandaag in een permanente staat van knulligheid verkeerde. Telkens die kwade geest die mij mijn paspoort bijna liet vergeten op het vliegveld en die mij wakker hield onderweg. Ik zou het geen baaldag noemen, maar wel een dag waarin de effecten van slaapgebrek duidelijk werden. Traag van begrip bleef ik in alle gesprekken de neutrale partner die slechts bij uitzondering, maar dan wel heftig, uitspatte in bulderend gelach of woedende retoriek, om vervolgens weer terug te keren in een staat van ingekeerde moeheid. Zelfs toen Zwitserland letterlijk aan mijn voeten lag en CERN majestueus opglom tussen de begroening op de bergen, kon ik niets anders doen dan mijn ogen sluiten om de wereld vanuit een slapend perspectief zijn beloop te laten.

De groep waarmee ik op CERN verkeerde bleek de juiste combinatie. Merijn, de jongen die de trip vrijwel geheel organiseerde, had in Cambridge gestudeerd en kon daar ronduit over vertellen. Siim kwam uit Estland om zijn master in Amsterdam te volgen, Bon had zijn hele leven al in Amsterdam gewoon. Ons feestbeest, er is altijd een lolbroek in een groep, was Pjotr, een Fransman met twee Poolse ouders, die al meer dan de helft van zijn leven in Nederland had gewoon. Tenslotte was daar nog Nicolas de Colombiaan. En ik. Het internationale karakter van de groep uitte zich met namelijk in de voertaal waarin men zich uitte, het Engels.

Ik heb me altijd afgevraagd of ik wel het juiste type mens ben om deeltjesfysicus te worden. Ben ik niet te dom? Is dit echt wat ik wil of wil ik liever schrijven? Geloof ik wel genoeg in de wetenschappelijke vooruitgang om er zelf deel van te willen zijn? Nog altijd staan deze vragen open, maar de ervaring op CERN versterkt een gevoel dat zich al jarenlang schuilhoudt in de troggen van mijn bestaan. Nu het weekend net begonnen is, vind ik niet dat ik al een mening klaar moet hebben over de ervaringen die ik vandaag opgedaan heb. Toch appelleert deze grote, wereldse collaboratie van wetenschappers aan een diepe wens. Een fundamenteel gevoel van goed bezig zijn.

Wie weet klopt in mij het hart van een deeltjesfysicus. Wie weet huist in mij de ziel van CERN.

Voor nop

Een nieuwe goedkope laptop gekocht, nu hoor ik er weer bij. Bij wie? Bij hen! Met zijn allen forenzen we iedere dag heen en weer met de trein. Ochtendspits en avonddrukte. Hoewel het studerende leven genoeg afleiding biedt, vind ik een beetje sleur soms juist wel fijn.

Hij doet het goed, er staan ook liedjes op. In de stiltecoupé zet ik mijn megagrote koptelefoon op en geniet stilletjes – hoe anders – van de aandacht die de mensen aan mijn verschijning besteden. De man voor me doet gapend zijn ogen open en laat deze rusten op mijn gezicht.

We arriveren in Utrecht, vanaf daar reis ik weer alleen. In de bus naar de uni zitten geen Noord-Hollandse forenzen. Wederom zit ik wat gedeisd te computeren en plaats ik wat vage ochtendgevoelens in woorden op het scherm. Ook speel ik een spel.

Bij de uni schijnt dat ik mijn nachtrust voor niets heb gebroken, maar bij een gebrek aan informatie vraag ik dat na. En inderdaad, de colleges beginnen pas volgende week en u begrijpt, het ligt er dik bovenop, maar dit nieuws is langs mij heen gegaan en ik kom voor nop.

Rond tienen houdt de spits op.

FAMILIEDRAMA

Tien cijfers die niet abusievelijk beginnen bij nul.

In de duisternis gaat een telefoon. Het is de dominee. Een vleitige, notabele man die aanzien geniet in het dorp. Maar nu hijgt hij bij het leven aan de andere kant van de lijn. Otto, van huis uit atheïst, zit boven een boek te lezen en hoort de telefoon niet gaan.

Het is alsof er een literaire wereld bestaat die de echte vervangt. In Otto’s boek wordt een fantasie bevrijd die door een auteur uit het rijk van fabelen is gehaald. Het is een kinderboek over een sluwe snoodaard die de hoofdpersoon kwaad wil doen. Otto is ongeveer even jong als de protagonist en laat zich meevoeren door het verhaal.
Hij zou op het huis passen, maar niets daarvan. Zelfs de verlichting is bij het vallen van de avond niet aangezet, zo volvoerd is Otto. Zo ontvankelijk.

De dominee belt om te vertellen dat het dorp wordt geëvacueerd. In het droogseizoen is de kans op branduitbraken groot in het denrijke gebergte. ‘t Hars uit boomschors fikt wel, een woedende vuurzee slaat om zich heen. Iedereen is al weg, maar de dominee, als geschoolde inwoner het natuurlijke hoofd van de bevolking, is gebleven. In zijn wagentje rijdt hij naar de spitse afschuining in het gesteente om de vlammen te zien naderen. Opeens herinnert hij zich Otto en zijn ouders, Pa en Ma. Die had hij niet gezien bij de geëvacueerden.

De telefoon verstikt als de elektriciteit uitvalt en een vleugelrijk dreigement de huiskamer binnenbreekt. Het huis, inclusief Otto, laten zich verloren tot as komen. De dominee krijgt geen gehoor, want Otto’s boek zal nooit verstoffen op een tweederangs boekenplank.

Het nummer is niet meer in gebruik.